Voornaamwoorden

De Engelse onderwerpsvoornaamwoorden onder de knie

Niveau A1 Voornaamwoorden
Kerngedachte

In het Engels zijn er zeven persoonlijke voornaamwoorden die als onderwerp dienen: I, you, he, she, it, we en they. Let op de verschillen met het Nederlands: "you" gebruik je zowel voor het enkelvoud (jij) als het meervoud (jullie), en "it" gebruik je voor dingen en dieren. Anders dan in het Nederlands heeft elke Engelse zin een onderwerp nodig, dus zeg je "It is cold today." en niet zomaar "Is cold today." Onthoud ten slotte dat "I" altijd met een hoofdletter wordt geschreven, zoals in "I am a student." en "They live here."

Voorbeelden

  • I am a student. the speaker is a student
  • It is cold today. describing the weather
  • They live here. more than one person lives here

De volledige les

Alles uit de video, in tekst.

  1. I · you · he · she · it · we · they

    zeven kleine woordjes die elke zin nodig heeft

    Is raining. Am tired. In het Engels is dat fout — elke zin heeft een onderwerp nodig.

  2. 👤

    Elke Engelse zin heeft een onderwerp nodig.

    In veel talen mag je het onderwerp weglaten. In het Engels nooit — je hebt altijd een woord nodig dat zegt wie er iets doet.

  3. De zeven onderwerpsvoornaamwoorden

    Enkelvoud
    • I
    • you
    • he / she / it
    Meervoud
    • we
    • you
    • they

    Er zijn er precies zeven, verdeeld naar aantal. Enkelvoud: I, you, he, she, it. Meervoud: we, you, they.

  4. I am a student.

    'I' krijgt altijd een hoofdletter

    Begin bij jezelf. I — en in het Engels schrijf je dat altijd met een hoofdletter. I am a student.

  5. You are my friend.

    'you' = hier één persoon

    You is degene tegen wie je praat. You are my friend.

  6. You are all welcome.

    'you' = hier meerdere — zelfde woord

    En precies datzelfde you werkt ook voor een hele groep — één of meerdere. You are all welcome.

  7. She is a doctor.

    he = een man · she = een vrouw

    Voor andere mensen: he voor een man, she voor een vrouw. She is a doctor.

  8. It is on the table.

    'it' = dingen & dieren

    It gebruik je voor dingen en dieren — alles wat je geen he of she zou noemen. It is on the table.

  9. It is cold today.

    'it' vult het lege onderwerp in

    En dit is de slimme. Het Engels gebruikt it zelfs als het naar niets verwijst — zoals bij het weer. De plek van het onderwerp moet toch ingevuld worden. It is cold today.

  10. We live here.

    'we' is inclusief jou

    We is jij en minstens één ander — jezelf inbegrepen. We live here.

  11. They live here.

    'they' = anderen, niet jij

    En they is een groep waar jij niet bij hoort. They live here.

  12. Is raining. geen onderwerp
    It is raining. onderwerp verplicht

    Het Engels heeft altijd een genoemd onderwerp nodig.

    En hier zit de grote valkuil. Andere talen zeggen gewoon Is raining. Het Engels moet It is raining zeggen — geef het werkwoord altijd een onderwerp.

  13. i am tired. kleine i
    I am tired. altijd hoofdletter I

    Het voornaamwoord 'I' krijgt altijd een hoofdletter.

    En in geschreven tekst is het woord I altijd een hoofdletter — nooit klein, ook niet midden in een zin.

  14. Onthoud

    • I, you, he, she, it, we, they
    • 'you' = één of meerdere · 'it' = dingen & weer
    • Elke zin heeft een onderwerp nodig

    Dus: I, you, he, she, it, we, they. You is één of meerdere, it dekt zelfs het weer, en elke zin heeft een onderwerp nodig.

Aanbevolen video's