Engels Lessen
- De Engelse onderwerpsvoornaamwoorden onder de knieA1
- Het werkwoord 'to be': am, is en are in de present simpleA1
- Ontkenningen en vragen met 'to be' in het EngelsA1
- Engels: wanneer gebruik je 'a' en wanneer 'an'?A1
- Het meervoud in het Engels: -s, -es en onregelmatige vormenA1
- This, that, these en those: de Engelse aanwijzende voornaamwoordenA1
- There is of there are? Zo zeg je in het Engels dat iets bestaatA1
- Bezittelijke voornaamwoorden in het Engels (my, your, his, her, its, our, their)A1
- De Engelse possessive 's: bezit aangeven met 'sA1
- Present simple in het Engels: bevestigende zin en de -s bij de derde persoonA1
- Present simple: ontkennen en vragen stellen met do en doesA1
- Can en can't: zeggen wat je in het Engels wel en niet kuntA1
- De gebiedende wijs in het Engels (imperatives)A1
- Engelse bijvoeglijke naamwoorden: plaats in de zin en geen meervoudA1
- Object pronouns in het Engels: me, you, him, her, it, us, themA1
- Engelse voorzetsels van plaats: in, on en atA1
- Voorzetsels van tijd in het Engels: in, on of at?A1
- Present continuous in het Engels (am/is/are + -ing)A1
- Engelse vraagwoorden en de woordvolgorde in wh-vragenA1
- Telbare en ontelbare zelfstandige naamwoorden + some/any in het EngelsA1
- How much of how many in het Engels: wanneer gebruik je wat?A1
- 'The' of geen lidwoord in het Engels: wanneer gebruik je wat?A1
- Was of were: de verleden tijd van 'to be'A1
- Past simple: regelmatige werkwoorden met -edA1
- Past simple: onregelmatige werkwoorden, ontkenningen en vragen met 'did'A1
- 'going to' gebruiken voor plannen en voornemens in het EngelsA1
- Engels: like, love, hate en enjoy + -ingA2
- Would like / I'd like: beleefd zeggen wat je wiltA2
- De vergrotende trap in het Engels: -er of more ... thanA2
- De overtreffende trap in het Engels: the tallest, the most beautifulA2
- Bijwoorden van frequentie in het Engels: always, usually, often, sometimes, neverA2
- Present continuous vs present simple in het EngelsA2
- Past continuous: was en were + werkwoord-ingA2
- 'Will' voor voorspellingen en spontane beslissingenA2
- Have to of must: zo druk je verplichting uit in het EngelsA2
- 'Should' en 'shouldn't': zo geef je advies in het EngelsA2
- Engelse bijwoorden van wijze (-ly): slowly, well, hardA2
- Much, many, a lot of, a few of a little: hoeveelheden in het EngelsA2
- De present perfect in het Engels: have/has + voltooid deelwoordA2
- Present perfect met ever, never, just, already en yetA2
- Gerund vs. infinitief: wanneer gebruik je -ing of 'to' in het Engels?A2
- De zero conditional in het EngelsA2
- De first conditional in het Engels: 'if' + present simple, 'will' + werkwoordA2
- 'Used to': praten over hoe het vroeger was in het EngelsA2
- Present perfect vs past simple: wanneer gebruik je welke?B1
- Present perfect continuous: have been + -ing uitleggenB1
- Past perfect in het Engels: had + voltooid deelwoordB1
- Engelse relative clauses: who, which en thatB1
- De lijdende vorm in het Engels (passive voice)B1
- De second conditional in het Engels: if + verleden tijd, would + werkwoordB1
- Reported speech: uitspraken doorvertellen in het EngelsB1
- Engelse modals of deduction: must be, can't be, might beB1
- 'Too' en 'enough' in het Engels: wanneer gebruik je wat?B1
- Question tags in het Engels: aanhangvraagjes correct makenB1
- De third conditional in het Engels: spreken over wat niet gebeurd isB2
- Engels 'wish' en 'if only': spijt en irritatie correct uitdrukkenB2
- Future continuous en future perfect in het EngelsB2
- Reported speech: vragen en bevelen weergeven in het EngelsB2
- Het causatief: 'have' en 'get something done' in het EngelsB2
- Phrasal verbs in het Engels: scheidbaar en niet-scheidbaarB2