Woordvolgorde

Engelse relative clauses: who, which en that

Niveau B1 Woordvolgorde
Kerngedachte

Relative clauses (betrekkelijke bijzinnen) geven extra informatie over een zelfstandig naamwoord. Je gebruikt 'who' voor personen, 'which' voor dingen, 'that' voor beide, 'where' voor plaatsen en 'whose' voor bezit: "The woman who lives next door is a nurse" of "I read the book that you gave me". Let op: in het Nederlands zeg je 'die' of 'dat' voor zowel personen als dingen, maar het Engels maakt onderscheid tussen 'who' (mensen) en 'which' (dingen). Een veelgemaakte fout is om het onderwerp dubbel te noemen, zoals in het foute "The man who he called" — het betrekkelijk voornaamwoord vervangt het onderwerp al, dus die extra 'he' hoort er niet bij.

Voorbeelden

  • The woman who lives next door is a nurse. describing the woman by what she does
  • I read the book that you gave me. identifying which book
  • This is the town where I grew up. describing the town by an event there

De volledige les

Alles uit de video, in tekst.

  1. who · which · that

    betrekkelijke bijzinnen, simpel

    <t>The man who he called.</t> Klinkt bijna goed… maar het is fout. Laten we betrekkelijke bijzinnen voorgoed onder de knie krijgen.

  2. Een bijzin beschrijft een zelfstandig naamwoord, er direct achter.

    Een betrekkelijke bijzin geeft extra info over een zelfstandig naamwoord. In plaats van twee korte zinnen vlecht je ze samen. Zo ga je vloeiend klinken.

  3. Kies op basis van wat je beschrijft

    mensen → who
    • the woman who…
    • the man who…
    • of gebruik that
    dingen → which
    • the book which…
    • the car which…
    • of gebruik that

    De truc is het juiste verbindingswoord. <t>who</t> voor mensen, <t>which</t> voor dingen, en <t>that</t> voor allebei. Drie woorden, één simpele regel.

  4. The woman who lives next door is a nurse.

    who — voor mensen

    We beginnen met mensen. De bijzin komt direct na het naamwoord dat hij beschrijft. The woman who lives next door is a nurse.

  5. I read the book that you gave me.

    that — voor dingen

    Voor dingen gebruik je <t>which</t>, of <t>that</t>, dat klinkt wat informeler. I read the book that you gave me.

  6. This is the town where I grew up.

    where — voor plaatsen

    Voor plaatsen is er een apart woord: <t>where</t>. Het vervangt het stroeve <t>in which</t>. This is the town where I grew up.

  7. That's the boy whose dog ran away.

    whose — bezit

    En voor bezit, als iets bij het naamwoord hoort, gebruik je <t>whose</t>. That's the boy whose dog ran away.

  8. The man who he called. dubbel onderwerp — who + he
    The man who called. who is al het onderwerp

    Laat het extra voornaamwoord weg: who, which en that vervangen het al.

    Nu de meestgemaakte fout. Het betrekkelijke woord is al het onderwerp, dus zet er geen tweede voornaamwoord achter. Niet <t>the man who he called</t>. Maar <t>the man who called</t>.

  9. The team which won. which voor mensen
    The team that won. mensen → who / that

    who en that voor mensen; which en that voor dingen.

    Fout nummer twee: het verkeerde woord bij het naamwoord. Mensen krijgen <t>who</t>, niet <t>which</t>. Dingen krijgen <t>which</t>, niet <t>who</t>. En <t>that</t> past bij allebei als je twijfelt.

  10. Onthoud

    • who/that → mensen · which/that → dingen
    • where → plaatsen · whose → bezit
    • Herhaal het onderwerp niet

    Dus: <t>who</t> voor mensen, <t>which</t> voor dingen, <t>that</t> voor allebei, <t>where</t> voor plaatsen, <t>whose</t> voor bezit, en verdubbel nooit het onderwerp.