Woordvolgorde

Reported speech: uitspraken doorvertellen in het Engels

Niveau B1 Woordvolgorde
Kerngedachte

Wil je in het Engels navertellen wat iemand zei, dan gebruik je de indirecte rede (reported speech). Het belangrijkste verschil met het Nederlands is de zogenoemde backshift: de werkwoordstijd schuift meestal een stap terug. 'I am busy' wordt dan 'He said (that) he was busy', 'I will call' wordt 'She told me she would call' en 'we can help' wordt 'They said they could help'. Let er ook op dat voornaamwoorden en tijdswoorden meeveranderen ('here' wordt 'there', 'tomorrow' wordt 'the next day'); 'that' mag je weglaten.

Voorbeelden

  • He said (that) he was busy. reporting 'I am busy'
  • She told me she would call. reporting 'I will call'
  • They said they could help. reporting 'we can help'

De volledige les

Alles uit de video, in tekst.

  1. Reported speech

    wat ze zeiden, een stap terug

    Iemand vertelt je iets. Je geeft het door, en maakt een fout die bijna iedereen maakt.

  2. πŸ—£οΈ

    Reporting? Shift the tense one step back.

    Als je navertelt wat iemand zei, zet je de tijd meestal een stap terug in het verleden. Dat heet de backshift.

  3. Een stap terug

    they said
    • am / is / are
    • will
    • can
    • have
    you report
    • was / were
    • would
    • could
    • had

    De originele woorden klopten op het moment dat ze gezegd werden. Vertel je ze later, op afstand, dan toon je die afstand door het werkwoord terug te zetten.

  4. He said (that) he was busy.

    am β†’ was

    Begin simpel. Hij zei: I am busy. Tegenwoordige tijd wordt verleden, en I wordt he. He said (that) he was busy.

  5. She told me she would call.

    will β†’ would

    Will gaat terug naar would. Zij zei: I will call. She told me she would call.

  6. They said they could help.

    can β†’ could

    Can gaat terug naar could. Ze zeiden: We can help. They said they could help.

  7. said vs told

    said
    • He said he was late.
    • geen persoon
    told
    • He told me he was late.
    • told + iemand

    Let op twee woordjes. Said heeft geen persoon nodig. Told wel: je vertelt iemand iets.

  8. She said she would leave the next day.

    tomorrow β†’ the next day

    Tijdwoorden veranderen ook. Tomorrow, later verteld, wordt the next day. She said she would leave the next day.

  9. He said he liked it there.

    here β†’ there

    En plaatswoorden. Here wordt there als je het ergens anders navertelt. He said he liked it there.

  10. βœ— She said she is tired. tijd niet verschoven
    βœ“ She said she was tired. is β†’ was

    Verslag in verleden tijd? Zet ook het werkwoord terug.

    Dit is de klassieke fout. Het verslag is verleden tijd, dus laat het werkwoord niet in de tegenwoordige tijd. Niet she said she is tired: zet het terug.

  11. πŸ’‘

    Still true now? You can skip the backshift.

    Een nuance. Als het nu nog waar is, een feit dat niet veranderd is, mag je de tegenwoordige tijd houden. He said he lives in Rome is prima.

  12. "That" is optional β€” keep it or drop it.

    En het woordje that is altijd optioneel. Zet het erbij of laat het weg: allebei goed.

  13. Onthoud

    • Werkwoord β†’ een stap terug
    • Voornaamwoorden en tijd/plaats veranderen
    • that is optioneel

    Kort: werkwoord een stap terug, voornaamwoorden en tijdwoorden aangepast, en that optioneel. Dat is de indirecte rede.

Aanbevolen video's