Voornaamwoorden

Servische korte voornaamwoorden: me, te, ga, joj

Niveau A2 Voornaamwoorden
Kerngedachte

In het dagelijks Servisch zeg je niet „Vidim njega“, maar gewoon „Vidim ga“. Voor het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp heeft het Servisch namelijk korte, onbeklemtoonde voornaamwoorden — clitica genoemd. Er zijn twee rijtjes: accusatief (me, te, ga, je, nas, vas, ih) en datief (mi, ti, mu, joj, nam, vam, im). De lange vormen als njega of tebe bewaar je voor nadruk en na voorzetsels: „Ovo je za njega“. Het lastigste is de plaats: een cliticon staat nooit vooraan, maar altijd op de tweede plaats. Daarom „Vidim ga“ en „Danas ga vidim“, maar nooit „Ga vidim“. Beheers je dit, dan klink je meteen veel natuurlijker.

Voorbeelden

  • Vidim ga. I see him.
  • Dajem ti knjigu. I'm giving you a book.
  • Zovem je. I'm calling her.

De volledige les

Alles uit de video, in tekst.

  1. Vidim ga.

    korte voornaamwoorden: me, te, ga, joj…

    Je wilt Vidim ga zeggen, maar je zegt Vidim njega. Ze begrijpen je wel, maar je klinkt stijf, als uit een boekje. In het dagelijks Servisch gebruik je korte, onbeklemtoonde voornaamwoorden: me, te, ga, joj. Laten we ze onder de knie krijgen.

  2. 🩳

    Voornaamwoorden hebben een korte vorm voor elke dag: me, te, ga, joj…

    Dit is waar het om gaat. Als je een zelfstandig naamwoord vervangt door njega, nju, njih, heeft het Servisch twee vormen. De lange, beklemtoonde: mene, tebe, njega. En de korte, onbeklemtoonde woordjes, clitica genoemd: me, te, ga. In gewone spraak gebruik je bijna altijd de korte.

  3. twee rijtjes korte voornaamwoorden

    accusatief (wie/wat)
    • me, te, ga, je
    • nas, vas, ih
    datief (aan wie)
    • mi, ti, mu, joj
    • nam, vam, im

    Er zijn twee rijtjes, naar naamval. Accusatief — dat is wie, wat, het lijdend voorwerp: me, te, ga, je, nas, vas, ih. En datief — dat is aan wie, degene aan wie je iets geeft of zegt: mi, ti, mu, joj, nam, vam, im. Je hoeft het niet meteen allemaal uit je hoofd te kennen; kijk hoe ze werken.

  4. Vidim ga.

    ga = accusatief, „njega“

    Beginnen we met de meest voorkomende. Je wilt zeggen dat je hém ziet. Je hebt het lange njega niet nodig — één ga is genoeg: Vidim ga. Ik zie hem. Dat ga is de accusatief van on — de korte vorm van njega. Het komt meteen na het werkwoord, op de tweede plaats in de zin. Zo praten Serviërs echt.

  5. Zovem je.

    je = accusatief, „nju“

    Hetzelfde voor haar. Als je een meisje belt, zeg je niet Zovem nju — je gebruikt het korte je: Zovem je. Ik bel haar. Dit je is de accusatief van ona. Let op — het lijkt op het werkwoord je van biti, maar hier betekent het nju. De plaats in de zin onderscheidt ze.

  6. Dajem ti knjigu.

    ti = datief, „tebi“

    Nu de datief — aan wie je iets geeft. Je wilt zeggen dat je jóu een boek geeft. In plaats van het lange tebi gebruik je het korte ti: Dajem ti knjigu. Ik geef je een boek. Dat ti is de datief — de ontvanger van de handeling. Het staat meteen na het werkwoord, en pas daarna komt knjigu. Werkwoord, dan cliticon, dan de rest.

  7. Kažem joj istinu.

    joj = datief, „njoj“

    Nog een datief, deze keer voor haar. De datief van ona is joj — een woord dat beginners vaak in de war brengt. Als je iets tegen háár zegt: Kažem joj istinu. Ik vertel haar de waarheid. Joj betekent njoj — de korte datief van ona. Verwar het niet met de accusatief je: je is wie ik zie, joj is tegen wie ik praat.

  8. Clitica staan nooit voorop — ze komen op de tweede plaats in de zin.

    Dit is de kernregel over de plaats. Korte voornaamwoorden zijn clitica — onbeklemtoond, nooit eerste in de zin. Ze leunen op het eerste woord en staan er meteen achter, op de tweede plaats. Daarom Vidim ga, en niet Ga vidim. Dezelfde regel geldt voor se en sam.

  9. Danas ga vidim.

    „ga“ op de tweede plaats, na „danas“

    Kijk hoe het cliticon springt als de zin niet met het werkwoord begint. Vidim ga — werkwoord eerst, ga erachter. Maar als je met Danas begint: Danas ga vidim. Ik zie hem vandaag. Nu is danas het eerste woord, en ga springt er meteen achter — weg van het werkwoord vidim. Het cliticon volgt de tweede plaats, wat er ook voorop staat.

  10. kort vs lang — wanneer welke

    kort (gewoon)
    • Vidim ga.
    • Dajem ti knjigu.
    • Kažem joj.
    lang (nadruk, voorzetsel)
    • za njega
    • Vidim NJEGA, ne nju.
    • Koga? — Njega.

    En wanneer heb je de lange vorm nodig? Drie gevallen. Na een voorzetsel altijd de lange: za njega, niet za ga. Als je iets benadrukt: Vidim njega, ne nju. En als je met één woord antwoordt: Koga?Njega. Anders, in gewone spraak, de korte vorm.

  11. Ovo je za njega.

    na een voorzetsel — lange vorm

    Zie het voorzetsel in actie. Na een voorzetsel als za moet de lange vorm — het cliticon kan daar niet staan: Ovo je za njega. Dit is voor hem. Je zegt za njega, nooit za ga. Na een voorzetsel altijd de lange, beklemtoonde vorm. Onthoud dat als een vaste regel.

  12. Vidim njega. lange vorm zonder reden — stijf
    Vidim ga. Ik zie hem.

    in gewone spraak — korte vorm „ga“.

    En nu de grote valkuil — de reden dat je hier bent. Zet de lange vorm niet overal. Vidim njega zonder speciale nadruk klinkt stijf en boekachtig. In een gewone zin is het simpelweg Vidim ga.

  13. Ga vidim. cliticon op de eerste plaats — fout
    Vidim ga. Ik zie hem.

    een cliticon staat nooit voorop — het komt op de tweede plaats.

    En de tweede veelgemaakte fout — je zet het cliticon vooraan de zin. Ga vidim deugt niet, want een cliticon staat nooit eerst. Het moet na het eerste woord: Vidim ga of Danas ga vidim. Tweede plaats, altijd.

  14. Onthoud

    • korte voornaamwoorden voor elke dag: accusatief me/te/ga, datief mi/ti/mu/joj
    • clitica staan nooit voorop — altijd op de tweede plaats in de zin
    • lange vorm (njega, za njega) — alleen voor nadruk en na een voorzetsel

    Even samenvatten. Voor dagelijkse spraak gebruik je de korte voornaamwoorden: accusatief me, te, ga, je, nas, vas, ih; datief mi, ti, mu, joj, nam, vam, im. Het zijn clitica — nooit eerste, altijd op de tweede plaats. De lange vorm — njega, tebe — bewaar je voor nadruk en na voorzetsels. Vidim ga, niet Vidim njega.