Voorzetsels

Servische voorzetsels en de naamvallen die ze sturen

Niveau A2 Voorzetsels
Kerngedachte

In het Nederlands staat een voorzetsel gewoon vóór het zelfstandig naamwoord en laat het ongemoeid: "bij de dokter", "uit de stad", "met een vriend". In het Servisch gaat dat anders. Elk voorzetsel stuurt een naamval, en dat betekent dat het de uitgang van het volgende woord verandert. Je kunt het zelfstandig naamwoord niet in de woordenboekvorm laten staan. Leer een voorzetsel daarom altijd samen met zijn naamval, als één onlosmakelijk paar. Dit is de kaart. De genitief volgt op od, do, iz, kod, bez (en ook ispred, iza, oko, blizu, pored, posle): "kod doktora" (bij de dokter), "Idem kod doktora." (Ik ga naar de dokter.), "Vraćam se iz grada." (Ik kom terug uit de stad.), "Pijem kafu bez šećera." (Ik drink koffie zonder suiker.). De datief volgt op prema en ka voor richting: "Idemo prema školi." (We gaan richting school.). De instrumentalis volgt op s/sa, pred, nad: "Šetam sa prijateljem." (Ik wandel met een vriend.), "Auto je pred kućom." (De auto staat voor het huis.). En dan de valkuil die iedereen verrast: u en na. Hetzelfde woord krijgt de accusatief bij beweging, maar de locatief bij een vaste plaats. Beweging: "Ulazim u kuću." (Ik ga het huis in.). Plaats: "Sada sam u kući." (Nu ben ik in het huis.). Eén voorzetsel, twee uitgangen, alleen bepaald door of er beweging is. De klassieke beginnersfout is het woord kaal laten: "kod doktor" is fout, het moet "kod doktora" zijn. Behandel Servische voorzetsels niet als naamval-neutraal zoals in het Nederlands. Leer voorzetsel en naamval als een setje, dan gaan de uitgangen vanzelf zitten.

Voorbeelden

  • kod doktora at the doctor's
  • u kući in the house
  • sa prijateljem with a friend

De volledige les

Alles uit de video, in tekst.

  1. kod + genitief

    voorzetsels en hun naamvallen

    Je zegt een voorzetsel en je stopt. Welke uitgang krijgt het zelfstandig naamwoord? kod doktor, kod doktoru, kod doktora? Het geheim: elk voorzetsel vraagt altijd om dezelfde naamval.

  2. Elk voorzetsel vraagt om een vaste naamval.

    De hoofdregel is simpel. Een voorzetsel staat nooit alleen. Erna komt altijd een zelfstandig naamwoord in een vaste naamval, en het voorzetsel kiest die naamval. Leer ze samen.

  3. Welk voorzetsel, welke naamval

    genitief
    • od
    • do
    • iz
    • kod
    • bez
    instrumentalis
    • s / sa
    • pred
    • nad

    Dit is de kaart. De voorzetsels od, do, iz, kod en bez vragen de genitief. prema en ka vragen de datief. s, sa, pred en nad vragen de instrumentalis. En u, na en o wisselen van naamval naar betekenis — dat bewaren we voor het eind.

  4. Idem kod doktora.

    kod + genitief

    We beginnen met de genitief. kod betekent ergens bij iemand zijn en vraagt altijd de genitief. doktor wordt doktora. Idem kod doktora.

  5. Vraćam se iz grada.

    iz + genitief

    Dezelfde naamval geldt voor od, do en iz. iz betekent beweging van binnenuit, dus grad gaat ook in de genitief en wordt grada. Vraćam se iz grada.

  6. Pijem kafu bez šećera.

    bez + genitief

    bez betekent het ontbreken van iets en vraagt ook de genitief. šećer wordt šećera. Pijem kafu bez šećera.

  7. Idemo prema školi.

    prema + datief

    Nu de datief. prema en ka tonen de richting naar iets toe en vragen de datief. škola wordt školi. Idemo prema školi.

  8. Šetam sa prijateljem.

    sa + instrumentalis

    Nu de instrumentalis. sa betekent samen met iemand of iets en vraagt de instrumentalis. prijatelj wordt prijateljem. Šetam sa prijateljem.

  9. Auto je pred kućom.

    pred + instrumentalis

    De instrumentalis geldt ook voor pred en nad, die een positie vóór of boven iets beschrijven. kuća wordt kućom. Auto je pred kućom.

  10. u en na — hangt af van de betekenis

    beweging → accusatief
    • idem u grad
    • stavljam na sto
    plaats → locatief
    • živim u gradu
    • knjiga je na stolu

    En nu het belangrijkste. u en na zitten niet vast aan één naamval. Bij beweging gaan ze met de accusatief. Bij een plaats waar iets zich bevindt, gaan ze met de locatief. Hetzelfde woord, twee naamvallen.

  11. Ulazim u kuću.

    u + accusatief (beweging)

    Kijk naar beweging. Je gaat ergens heen, je gaat ergens in — dat is de accusatief. kuća wordt kuću. Ulazim u kuću.

  12. Sada sam u kući.

    u + locatief (plaats)

    En nu plaats. Je bent binnen, niets beweegt — dat is de locatief. Datzelfde kuća wordt nu kući. Sada sam u kući.

  13. kod doktor voorzetsel zonder naamval
    kod doktora kod + genitief

    Leer voorzetsel en naamval samen, nooit los.

    Hier is de valkuil. Je leert een voorzetsel maar vergeet zijn naamval, en dan gok je de uitgang. Na kod is het niet kod doktor maar kod doktora, in de genitief. Leer voorzetsel en naamval als één paar.

  14. Onthoud

    • kod, iz, bez → genitief; sa → instrumentalis
    • prema → datief
    • u / na: beweging → accusatief, plaats → locatief

    Onthoud dit. Elk voorzetsel draagt zijn eigen naamval. En bij u en na vraag je: beweging of plaats.