Werkwoorden

Het verbaal bijwoord in het Servisch: -ći en -vši

Niveau B2 Werkwoorden
Kerngedachte

Het Servisch kent twee verbale bijwoorden, samen het glagolski prilog genoemd. Het zijn werkwoordsvormen die zich gedragen als een bijwoord: ze vertellen onder welke omstandigheid de hoofdhandeling plaatsvindt. Wat ze voor een Nederlandstalige meteen handig maakt, is dat ze volledig onveranderlijk zijn. Anders dan de meeste Servische woorden buigen ze niet mee naar geslacht, getal of persoon. Je leert één vorm en die blijft altijd hetzelfde, of het onderwerp nu "ik", "zij" of "wij" is. De eerste vorm is het tegenwoordige verbaal bijwoord (glagolski prilog sadašnji), te herkennen aan de uitgang -ći. Je vormt het alleen van imperfectieve (niet-voltooide) werkwoorden, en de regel is simpel: neem de derde persoon meervoud van de tegenwoordige tijd en vervang de -u door -ći. Zo wordt rade → radeći, idu → idući, piju → pijući, drže → držeći en gledaju → gledajući. Deze vorm markeert een handeling die GELIJKTIJDIG met de hoofdhandeling gebeurt. Vergelijk het in het Nederlands gerust met "terwijl ...": "Radeći, slušam muziku" betekent zoveel als "Terwijl ik werk, luister ik naar muziek". De -ći-vorm is hier je geheugensteun: -ći ≈ "terwijl". De tweede vorm is het verleden verbaal bijwoord (glagolski prilog prošli) op -vši. Dat vorm je van perfectieve (voltooide) werkwoorden: neem de infinitiefstam en plak er -vši aan vast. Zo wordt završiti → završivši en uraditi → uradivši. Een handvol werkwoorden is onregelmatig, zoals doći → došavši, en het werkwoord biti levert de aparte vormen budući en bivši op. Deze vorm markeert een handeling die VOORAFGAAT aan de hoofdhandeling, dus iets dat eerst af is. Hier past de Nederlandse brug "nadat ... had": "Završivši posao, otišao je" is in essentie "Nadat hij het werk had afgemaakt, ging hij weg". Kortom: -vši ≈ "nadat ... had". En "Idući kući, sreo sam ga" laat de tegenwoordige vorm zien voor gelijktijdigheid: "Terwijl ik naar huis liep, kwam ik hem tegen." Qua register is het verbaal bijwoord vooral schriftelijk, literair en formeel. In gewone spreektaal kiest een Serviër meestal voor een gewone bijzin met dok (terwijl) of kad (toen). Het Nederlands heeft geen echt levend tegenhanger van dit type bijwoord; een deelwoordconstructie als "Naar huis lopend, kwam ik hem tegen" bestaat wel, maar voelt gekunsteld en zeldzaam. Juist daarom helpt het om in vertalingen aan "terwijl" en "nadat" te denken in plaats van naar een Nederlandse één-op-één-vorm te zoeken. Let ten slotte op vier veelgemaakte valkuilen. Gebruik de tegenwoordige -ći NIET voor iets dat al af is; dat hoort de verleden -vši te zijn. Vorm -ći nooit van een perfectief werkwoord: een vorm als uradeći bestaat niet. Vermijd het "bungelende" bijwoord: het impliciete onderwerp van het bijwoord moet hetzelfde zijn als dat van de hoofdzin, anders gaat de zin mank. En vergeet de komma niet die het bijwoord van de rest van de zin scheidt.

Voorbeelden

  • Idući kući, sreo sam ga. Walking home, I met him.
  • Radeći, slušam muziku. While working, I listen to music.
  • Završivši posao, otišao je. Having finished work, he left.

De volledige les

Alles uit de video, in tekst.

  1. idući kući…

    een hele zin in één woord

    Terwijl ik naar huis liep, kwam ik hem tegen. Die bijzin terwijl ik liep kun je samenvatten in één enkel woord: idući. Idući kući, sreo sam ga. Dat is het bijwoordelijk deelwoord — een hulpmiddel dat je taal beknopt en elegant maakt.

  2. ⏱️

    Tegenwoordig -ći → tegelijk. Verleden -vši → vóór de hoofdhandeling.

    Er bestaan twee bijwoordelijke deelwoorden. Het tegenwoordige, op de uitgang -ći, beschrijft een handeling die tegelijk met de hoofdhandeling gebeurt. Het verleden, op de uitgang -vši, beschrijft een handeling die vóór de hoofdhandeling is afgerond. Beide zijn onveranderlijk — ze veranderen van vorm niet voor geslacht, niet voor getal en niet voor persoon.

  3. tegelijk of na elkaar?

    tegenwoordig -ći
    • radeći
    • idući
    • op hetzelfde moment
    verleden -vši
    • uradivši
    • završivši
    • eerst klaar, dan verder

    Het verschil zit in de tijd. Het tegenwoordige deelwoord zijn twee handelingen die op hetzelfde moment lopen — terwijl het ene duurt, gebeurt ook het andere. Het verleden deelwoord is volgorde: eerst rondt de ene handeling af, en pas daarna komt de andere. Daarom luidt de vraag: tegelijk, of het ene en dan het andere?

  4. Radeći, slušam muziku.

    tegenwoordig deelwoord — tegelijk

    Begin bij het tegenwoordige deelwoord. Je maakt het van imperfectieve werkwoorden, van de derde persoon meervoud van de tegenwoordige tijd, door aan de stam -ći toe te voegen. Rade plus -ći geeft radeći. Radeći, slušam muziku. Ik werk en luister op hetzelfde moment — radeći draagt die gelijktijdigheid in één woord.

  5. Idući kući, sreo sam ga.

    od ići → idu → idući

    Hier is de eerste zin uit de inleiding, nu helemaal. Idu plus -ći geeft idući — een handeling die parallel met de hoofdhandeling loopt. Idući kući, sreo sam ga. Terwijl ik liep, kwam ik hem tegen. Eén woord idući verving de hele bijzin terwijl ik liep.

  6. 3e pers. mv. + -ći

    rade radeći
    idu idući
    drže držeći
    gledaju gledajući

    Onthoud de vorming van het tegenwoordige deelwoord zo: je neemt de derde persoon meervoud, die op -u, en je vervangt simpelweg die -u door de uitgang -ći. Piju geeft pijući, drže geeft držeći, gledaju geeft gledajući.

  7. Završivši posao, otišao je.

    verleden deelwoord — voorafgaande handeling

    Nu het verleden deelwoord. Dat maak je van perfectieve werkwoorden, meestal van de stam van het mannelijke voltooid deelwoord, door -vši toe te voegen. Završio geeft završivši. Završivši posao, otišao je. Eerst is het werk klaar, en pas daarna vertrekt hij. Završivši zegt duidelijk: deze handeling ging aan de hoofdhandeling vooraf.

  8. Uradivši zadatak, legao je da spava.

    od uraditi → uradivši

    Nog een verleden deelwoord, om de volgorde te voelen. Van uraditi krijg je uradivši — een handeling die zich afsloot voordat de volgende begint. Uradivši zadatak, legao je da spava. De taak is eerst af, en pas daarna volgt het slapen. Het verleden deelwoord draagt altijd dat klaar vóór de hoofdhandeling.

  9. Završavajući posao, otišao je. tegenwoordig deelwoord voor een voltooide handeling — fout
    Završivši posao, otišao je. verleden deelwoord voor een voorafgaande handeling — juist

    voltooide voorafgaande handeling → verleden deelwoord -vši, niet tegenwoordig.

    Hier is de grootste valkuil. Het tegenwoordige deelwoord moet een gelijktijdige handeling aanduiden — nooit een voltooide, voorafgaande. Als de handeling vóór de hoofdhandeling klaar is, mag je niet zeggen završavajući posao, otišao je, want dat klinkt alsof hij nog steeds werkt en tegelijk vertrekt. Je hebt het verleden deelwoord nodig: završivši posao, otišao je.

  10. uradeći tegenwoordig deelwoord van een perfectief werkwoord — bestaat niet
    radeći / uradivši imperfectief → tegenwoordig, perfectief → verleden

    tegenwoordig -ći alleen van imperfectieve werkwoorden.

    De tweede valkuil zit in de vorming. Het tegenwoordige deelwoord wordt alleen van imperfectieve werkwoorden gemaakt. Van een perfectief werkwoord zoals uraditi bestaat de tegenwoordige vorm uradeći niet — dat is geen woord. Perfectieve werkwoorden geven alleen het verleden deelwoord: uradivši.

  11. Smejući se, deca su trčala.

    onveranderlijk — altijd dezelfde vorm

    Omdat ze onveranderlijk zijn, richten bijwoordelijke deelwoorden zich niet naar het geslacht of het getal van het onderwerp. Dezelfde vorm geldt voor alles. Smejući se, deca su trčala. Het onderwerp is meervoud, onzijdig, maar het deelwoord blijft smejući se — zonder enige verandering. Dat maakt het makkelijk in gebruik.

  12. Onthoud

    • tegenwoordig -ći → tegelijk (radeći, idući)
    • verleden -vši → voorafgaande handeling (završivši)
    • onveranderlijk — de vorm verandert niet

    Even samenvatten. Het tegenwoordige bijwoordelijk deelwoord op -ći maak je van imperfectieve werkwoorden en daarmee zeg je dat twee handelingen tegelijk gebeuren — radeći, idući. Het verleden deelwoord op -vši maak je van perfectieve werkwoorden en daarmee zeg je dat de ene handeling aan de andere voorafging — završivši, uradivši. Beide zijn onveranderlijk. Vat een bijzin samen in één woord en je taal wordt eleganter.