Vragen en ontkenning

Servische vraagwoorden: ko, šta, gde, kada, zašto, kako

Niveau A1 Vragen en ontkenning
Kerngedachte

Een open vraag in het Servisch (een vraag waarop je niet met ja of nee antwoordt) begint altijd met het vraagwoord, daarna komt het werkwoord en vervolgens de rest van de zin. Die volgorde is prettig herkenbaar: het vraagwoord vooraan, en de zin loopt gewoon door. Dit zijn de zeven vraagwoorden die je op beginnersniveau nodig hebt: - ko = wie (naar een persoon) - šta = wat (naar een ding of een handeling) - gde = waar (naar een plaats) - kada / kad = wanneer (naar de tijd; kad is de korte vorm, dezelfde betekenis) - zašto = waarom (naar de reden) - kako = hoe (naar de manier) - koliko = hoeveel (naar de hoeveelheid) Leer de Servische voorbeelden het liefst als kant-en-klare bouwstenen: - Ko je to? – Wie is dat? - Šta radiš? – Wat doe je? - Gde živiš? – Waar woon je? - Kada dolaziš? – Wanneer kom je? - Zašto plačeš? – Waarom huil je? - Kako si? – Hoe gaat het met je? - Koliko košta? – Hoeveel kost het? Een opmerking over de woordvolgorde vergeleken met het Nederlands: in het Nederlands wisselen onderwerp en werkwoord vaak van plaats en schuift het werkwoord soms naar achteren ("Wanneer kom je aan?"). In het Servisch blijft het rustiger – vraagwoord, werkwoord, rest – en je hoeft je geen zorgen te maken over scheidbare werkwoorden. Soms staat er een voorzetsel vóór het vraagwoord, zoals sa kim (met wie) of za koga (voor wie); dat pik je later vanzelf op. De meest gemaakte fouten van Nederlandstalige leerders: 1. ko en šta door elkaar halen. ko vraagt altijd naar een persoon, šta naar een ding of handeling. "ko radiš" is fout – juist is Šta radiš? (Wat doe je?). 2. zašto en zato što verwarren. zašto is de vraag (waarom?), zato što is het antwoord (omdat). Zašto plačeš? – Zato što sam tužan. (Waarom huil je? – Omdat ik verdrietig ben.) 3. Je te vroeg druk maken over naamvallen. Ja, ko en šta veranderen later van vorm (koga, kome, čega, čemu), maar op A1-niveau volstaan de basisvormen prima. Eerst praten, daarna verfijnen.

Voorbeelden

  • Ko je to? Who is that?
  • Šta radiš? What are you doing?
  • Gde živiš? Where do you live?

De volledige les

Alles uit de video, in tekst.

  1. ko · šta · gde · kada · zašto · kako

    vraagwoorden voor echte vragen

    Wil je vragen wie, wat, waar of waarom, maar weet je niet waar dat woord in de zin staat? Goed nieuws: het staat altijd op dezelfde plek.

  2. Een open vraag begint met een vraagwoord, helemaal vooraan.

    Er zijn twee soorten vragen. Ja/nee-vragen, beantwoord met ja of nee. En open vragen, die om concrete informatie vragen, en die beginnen met een vraagwoord.

  3. Zes vraagwoorden

    persoon / ding / plaats
    • ko — wie
    • šta — wat
    • gde — waar
    tijd / reden / manier
    • kada — wanneer
    • zašto — waarom
    • kako — hoe

    Dit zijn de zes belangrijkste. Ko voor een persoon, šta voor een ding, gde voor een plaats, kada voor tijd, zašto voor reden en kako voor manier. Leer deze zes en je kunt bijna alles vragen.

  4. Eerst het vraagwoord, dan de rest van de zin, net als in een bewering.

    De regel is simpel: het vraagwoord komt vooraan, en de rest van de zin volgt gewoon. Je hoeft verder niets te veranderen.

  5. Ko je to?

    ko — voor een persoon

    Laten we beginnen met ko, als je naar een persoon vraagt. Ko je to?

  6. Šta radiš?

    šta — voor ding of handeling

    Met šta vraag je naar een ding of een handeling. Heel gewoon in alledaagse gesprekken. Šta radiš?

  7. Gde živiš?

    gde — voor een plaats

    Gde vraagt naar een plaats. Het woord komt vooraan, het werkwoord meteen erna. Gde živiš?

  8. Kada dolaziš?

    kada = kad — voor tijd

    Kada vraagt naar tijd. In spraak hoor je vaak ook de korte vorm, kad. Kada dolaziš?

  9. Zašto plačeš?

    zašto — voor de reden

    Zašto vraagt naar de reden. Het antwoord begint meestal met zato što. Zašto plačeš?

  10. Kako si?

    kako — voor de manier

    En kako, als je vraagt op welke manier iets gaat, of hoe het met iemand is. Kako si?

  11. Koliko košta?

    koliko — voor hoeveelheid of aantal

    Er is nog een heel handig woord: koliko. Daarmee vraag je naar hoeveelheid of aantal, hoeveel er van iets is. Koliko košta?

  12. ko is voor een persoon, hier fout
    šta is voor ding of handeling

    ko = wie (persoon), šta = wat (ding). Haal ze niet door elkaar.

    Dit is de meestgemaakte beginnersfout: ko en šta door elkaar halen. Ko is alleen voor een persoon, wie. Šta is voor een ding, wat. Zeg je ko radiš, dan slaat het nergens op; het moet šta radiš zijn.

  13. Later: ko → koga, šta → čega. Gebruik voorlopig de basisvormen.

    Een notitie voor later: ko en šta veranderen per naamval, koga, čega. Maar in het begin gebruik je gewoon de basisvormen, ko en šta, en dan ben je prima te begrijpen.

  14. Onthoud

    • ko, šta, gde, kada, zašto, kako (+ koliko)
    • Het vraagwoord staat altijd vooraan
    • De rest van de zin blijft gelijk

    Even samenvatten. Zes vraagwoorden: ko, šta, gde, kada, zašto, kako, plus koliko. Ze gaan allemaal vooraan in de zin, en de rest blijft gelijk. Meer heb je niet nodig voor open vragen.